Landbewerking vindt plaats op veel momenten in het jaar. Op meerdere manieren kan rekening worden gehouden met weidevogels. Een aantal maatregelen is eenvoudig door te voeren. Andere maatregelen vragen daarentegen meer aandacht en tijd. Voor sommige boeren zijn dit zaken die vanzelfsprekend zijn. Voor andere boeren is het een kwestie van wennen en uitproberen. Je hoeft het wiel zeker niet altijd opnieuw uit te vinden. Er is in Fryslân al heel veel ervaring opgedaan met weidevogelvriendelijke vormen van landbewerking. Zonder dat dit ten koste gaat van het boerenbedrijf. Hierna een aantal praktische tips die je in de dagelijkse praktijk kunt gebruiken. En zeg nou zelf, een mooi stuk greidelân vol met vogels is toch prachtig?

Bemesten

Een goede bodemkwaliteit zorgt voor veel voedsel in de grond waar de weidevogels van profiteren: voor adulten vooral regenwormen en emelten, voor kuikens (insecten)larven. Een goede bodemkwaliteit zorgt voor de open, structuur-, kruiden- en insectenrijke vegetatie, die essentieel is voor de kuikens. De indicatorsoort voor een goede bodemkwaliteit voor weidevogels is gewoon reukgras.


Hoe beïnvloedt bemesting het weidevogelbeheer?

Vier aspecten zijn van belang voor weidevogels:

  1. Het bemestingsniveau bepaalt de kruidenrijkdom van het perceel. Bij een hoog bemestingsniveau concurreert (raai)gras de meeste kruiden weg. Bij een laag bemestingsniveau krijgen kruiden en andere grassoorten meer kans. Dit zorgt voor een structuurrijke vegetatie en een hoger voedselaanbod voor de kuikens.
  2. Het bemestingsmoment (naast type mest) beïnvloedt de lengte van het gras in de kuikenperiode. Hoe eerder de (grote) mestgift, hoe langer het gras in de kuikenperiode. Lang gras is slecht doorloopbaar voor kuikens, waardoor ze veel energie verspelen. Dit belemmert de groei en verlaagt de overleving.
  3. Het type mest (drijfmest, kunstmest of vaste mest) is van invloed op de beschikbaarheid van voedsel en nestmateriaal.
  4. De zuurgraad heeft een sterke invloed op het aantal regenwormen.

klik hier voor een factsheet over bemesten >>>

Image

Beweiden

Voor veel weidevogels is het gunstig als grasland regelmatig beweid wordt. Dat geeft meer structuur aan de vegetatie dan alleen maaien. De vogels profi teren het meest als het beweiden buiten het broedseizoen gebeurt. Bij beweiding in het broedseizoen moet rekening rekening gehouden worden met de nesten en kuikens van weidevogels.

Voordelen van beweiden

  1. (Extensief) beweide percelen zijn gevarieerder, minder open en egaal dan percelen die altijd gemaaid worden. Hierdoor zijn bepaalde prooidieren beter beschikbaar en is er dekking voor de kuikens. Met name gunstig voor kieviten, tureluurs en scholeksters.
  2. Weiden (bij voorkeur na het broedseizoen) brengt kleine hoogteverschillen (microreliëf) in het perceel, zoals pollen en trapgaten. Daar komen veel weidevogels graag, omdat het de nestelgelegenheid en de voedselsituatie vergroot. Als nestgelegenheid vooral voor tureluur, grutto, slobeend en zomertaling. In mindere mate ook voor watersnip, graspieper, visdief, kievit, scholekster, veldleeuwerik en kluut.
  3. Kuikens van de tureluur, scholekster en kievit groeien graag op ‘onder de koeien’. Naast de variatie, is ook de aanwezigheid van verse mestflatten gunstig en mogelijk de fysieke bescherming die vee biedt tegen predatoren.
  4. Onder andere scholeksters vestigen zich rond 1 mei graag op kort gras om te gaan broeden.
  5. Weiden (in combinatie met maaien) kan helpen pitrus terug te dringen (maar alleen als het perceel relatief droog is, zie nadeel 4). Te veel pitrus in een perceel schrikt weidevogels af.
  6. Beweiding geeft meer overlevingskansen voor legsels en kuikens dan maaien, daarom is beweiding van een deel van het areaal te verkiezen boven 100% maaien.

Maaien

Maaien van grasland zorgt dat het niet verruigt en het landschap open blijft. Op zich is maaien dus gunstig voor weidevogels, maar het moet niet te vroeg gebeuren. In de reguliere landbouw valt het maaien van de eerste snede gras steeds vroeger, inmiddels midden in de broedperiode van weidevogels. Dit maakt het landschap steeds minder geschikt voor weidevogels.

Hoe beheer ik mijn grasland om laat te kunnen maaien?

Om laat te kunnen maaien (kuikenland) is goed graslandbeheer nodig. Percelen die laat gemaaid worden, moeten een hoog waterpeil hebben en in het voorjaar geen drijfmest en al helemaal geen kunstmest krijgen. Gebruik alleen vaste mest. Bemesting kan ook na de eerste snede, dus geen voorjaarsbemesting toepassen is prima.

Dit heeft twee voordelen:

  1. Voordeel voor de weidevogels: het gras groeit trager en is opener, en is zo langer geschikt voor (grutto)kuikens.
  2. Voordeel voor de boer: bij het late maaien is het gras nog lang niet zo verhout of stengelig als wanneer het bemest is. De voedingswaarde is daarom paradoxaal genoeg hoger dan wanneer er wel geïnvesteerd zou zijn in bemesting. In dit geval wordt het bezuinigen op de kosten (bemesten) beloond door een hogere waarde in de opbrengst. Blijven percelen in de loop der jaren te productief, dan kan er ook na het maaien minder drijf- en kunstmest op, om het land structureel geschikt te maken voor later maaien.

Aangepast maairegime

Als maaien onvermijdelijk is, kan een aangepast maairegime de negatieve effecten enigszins verzachten. Dat betekent: op een later moment maaien en niet alle percelen tegelijk. In een aangepast maairegime zijn vier aspecten van belang:

  1. Het maaimoment bepaalt de overlevingskans van de eieren en kuikens. Weidevogels hebben de grootste kans op broedsucces in laat gemaaid grasland. Maai, om rekening te houden met de belangrijkste weidevogelsoorten, het gras niet eerder dan 15 juni en in schrale graslanden pas in juli of augustus. De praktijk wijst uit, dat een ‘vogelgestuurde’ maaidatum het meest effectief is. Dat wil zeggen dat pas gemaaid wordt als de nesten zijn uitgekomen en de kuikens vliegvlug zijn.

    Voor succesvol broeden is een rustperiode van minimaal 8 weken nodig (3-4 weken eieren leggen en broeden, 4-5 weken tot kuikens vliegvlug zijn). De broedseizoenen van de verschillende soorten liggen echter behoorlijk uiteen. De kievit begint eind maart al met het leggen van eieren, de kuikens van de kemphaan vliegen op z’n vroegst eind juni. Sommige soorten zoals watersnip en veldleeuwerik zijn nog later.

  2. Met behulp van nest- en kuikenbescherming kun je de directe, negatieve effecten van het maaien zoveel mogelijk verzachten. Voorafgaand aan het maaien kun je verschillende maatregelen treffen voor de bescherming van de aanwezige nesten en het zo veilig mogelijk wegleiden van de aanwezige kuikens. Bijvoorbeeld: Markeer de nesten en laat een blok van minimaal 50 m2 gras rond een nest staan. Of plaats 24 uur voor het maaien vlaggenstokken om de kuikens uit het perceel te verjagen. En laat tenslotte bij maaien in het broedseizoen, stroken gras (kuiken- of vluchtstroken) staan voor directe dekking na het maaien en plaats deze zo dat jonge kuikens veilig kunnen migreren naar kuikenland.

  3.  Als maaien echt nodig is, zorgt mozaïekbeheer dat alle noodzakelijke functies behouden blijven totdat de laatste kuikens vliegvlug zijn.

    In de reguliere landbouw wordt de eerste snede gras begin mei massaal gemaaid. Hoezeer je ook je best doet dit te voorkomen, de kans op uitgemaaide nesten en kuikens is groot. Ook valt door maaien alle dekking weg, wat de kans op predatie vergroot. Maai daarom in het broedseizoen slechts beperkt en nooit in één keer grote oppervlakten.

    Een dergelijk beheer leidt tot een mozaïek van verschillende van ongemaaide en gemaaide percelen in verschillende hergroeistadia. In de beste weidevogelgebieden wordt niet meer dan 40% van de oppervlakte gemaaid voor 15 juni.

    Als er nog nesten en/of kuikens in een te maaien perceel zitten, is het aan te bevelen het maaien (verder) uit te stellen. Dit kan door last-minutebeheer. In een laat voorjaar kan het raadzaam zijn enkele percelen misschien eerder, onder mindere omstandigheden, te maaien om er zorg voor te dragen dat het maaien van legselbeheer- en 1 juni-percelen niet samenvallen. Dit is echter een zeer riskante strategie, dus neem alle voorzorgsmaatregelen: kies eerst percelen waar geen vogels broeden en of kuikens lopen en pas verder altijd nest- en kuikenbescherming toe (zie 2. en 4.).

  4. De maaiwijze bepaalt de kans voor weidevogelkuikens en nog niet gevonden nesten om het maaien zelf te overleven. Moet er toch gemaaid worden, stem de maaiwijze dan af op de weidevogels die op het perceel aanwezig (kunnen) zijn.

  • Maai overdag; ’s nachts maaien is uit den boze!
  • Maai van binnen naar buiten (zodat kuikens kunnen ontsnappen).
  • Gebruik een maaier met geringe werkbreedte.
  • Gebruik een wildredder (zodat vogels verjaagd worden vóór de maaier komt).
  • Maai niet te snel, rijd langzaam.
  • Maai bij voorkeur eerst een baan en verlaat daarna het perceel. Kom later terug; in de tussentijd zullen de weidevogels vanwege de ontstane onrust hun kuikens uit het perceel halen.
  • Maai niet in combinatie met een kneuzer (als kuikens die boven in het gras zitten de maaibeurt overleven, overleven ze een kneuzer zeker niet). Indien kneuzen gewenst is, doe dit dan achteraf; hier zijn wel extra kosten aan verbonden.

Nesten zoeken en markeren

Een nazorger/vogelwacht kan u helpen met het zoeken en markeren van de aanwezige weidevogelnesten en -kuikens. Heeft u (nog) geen nazorger (vogelwacht)? Dan kunt u contact opnemen met de Bond voor Friese Vogelwachten (BFVW). Mail naar info@BFVW.nl of bel 0651172174. Tijdens uw werkzaamheden kunt u dan de nesten makkelijker ontzien en een bijdrage leveren aan het laten staan van voedselstroken voor de kuikens.


Image

Uitdelen nestpannen

We roepen alle loonwerkers en boeren op om nesten en kuikens te beschermen tijdens werkzaamheden op het land. Daarom delen we nestpannen uit. Deze kunt u gebruiken om nesten te beschermen nu het broedseizoen weer van start is gegaan.

Wij adviseren u op tijd contact met de lokale vogelwacht of nazorgers op te nemen. in overleg kan dan worden bepaald hoe en wanneer de nestpannen kunnen worden ingezet.

Image

Meer weten?

Voor de juiste contactgegevens van de lokale vogelwacht of nazorger kunt u contact opnemen met de BFVW.

Zorgplicht

Vanuit de wet Natuurbescherming hebben boeren en loonwerkers een zorgplicht voor weidevogels. Werkzaamheden op het land kunnen nadelige gevolgen hebben voor weidevogels. Daarom zijn boeren verplicht om voorafgaand maatregelen te treffen, om nadelige gevolgen voor weidevogels te voorkomen. Dus voorkomen dat nesten tijdens het maaien en/of bemesten verloren gaan. En dat er na het maaien nog voldoende schuil- en foerageergebied aanwezig is.

Heeft u nog vragen? Meer informatie?

Voor vragen over de campagne ‘Grutsk op ús Greidefûgels’ of het bestellen van extra nestpannen, kunt u contact opnemen met de heer Gerben Zijlstra van Cumela: gzijlstra@cumela.nl / 06 2184 2940 of met de BFVW: info@bfvw.nl / 058 250 4388.